Veel mensen denken dat slavernij in het VOC-gebied relatief mild is. Ze zien eigenlijk alleen huishoudelijk personeel, zoals dienstboden, koks, dienstboden en naaisters. Maar de VOC zet slaafgemaakten wel degelijk op grote schaal in voor zwaar werk, zoals de aanleg van wegen en forten of het laden en lossen van schepen. Berucht is de arbeid in de mijnen, bijvoorbeeld op de westkust van Sumatra, waar goud wordt gewonnen.
Roeland Palm (1735-1776) is daar gezaghebber. Hij heeft meer dan honderd slaafgemaakten in eigendom. Als hij in 1776 overlijdt, wordt zijn boedelinventaris opgemaakt. Daarin staan onder meer vijf slaafgemaakte muzikanten, blijkbaar een soort huisorkestje. Palm laat ze na aan zijn broer die op Borneo woont. Kennelijk ontvangt die liever geld dan muzikanten: de vijf worden tijdens een tussenstop in Batavia op de slavenmarkt verkocht.

Dit verhaal is afkomstig uit het publieksboekje 'Het Slavernijverleden van Delft" (pdf).