De Delftse dominee Philippus Baldaeus (1632-1671) werkt voor de VOC op Ceylon (nu Sri Lanka) en in Zuid-India. Hij schrijft een dik boek over de geschiedenis en cultuur van deze gebieden. Hierin vermeldt hij onder meer hoe mensen in slavernij kunnen raken.
Het land is door oorlogen verwoest en er heerst honger. Duizenden mensen bieden zichzelf en hun vrouwen en kinderen te koop aan. Want als slaafgemaakte krijgen ze tenminste te eten.
Uit het boek blijkt dat dominee Baldaeus zelf ook slaafgemaakten heeft. Een van hen, zijn tolk en assistent Gerrit Mossopotam, neemt hij in 1665 mee naar Nederland. Ze staan samen op het portret dat Baldaeus in Den Haag laat schilderen.

Dit verhaal is afkomstig uit het publieksboekje 'Het Slavernijverleden van Delft" (pdf).