Wie grondig speurt in de doopboeken van de Delftse kerken, komt af en toe mensen van kleur tegen. Soms worden ze aangeduid als ‘swarte’ of ‘negerin’. Een andere keer als ‘moor’ of ‘moorin’, zoals Hannibal en Aurelia, bedienden van het echtpaar Kraeyvanger-Blesius aan de Oude Delft.
Heel bijzonder is de doop van een 24-jarige ‘negerinne’ Niabi (ca. 1770-1834). We kennen zelfs de namen van haar ouders: Cajo Sainquo Niabi en Masa Oribo. Zij is afkomstig uit de buurt van het Afrikaanse slavenfort Elmina en wordt als slaafgemaakte verkocht in Zuid-Amerika. Christoffel Johan Hecke neemt haar mee naar Delft. Hij weigert om haar te laten dopen in zijn eigen gereformeerde kerk. De remonstrantse kerkenraad vindt dat je iemand met zo’n ‘godsdienstig en eerlijk gemoed’ de doop niet mag onthouden.
De remonstrantse dominee Abraham van der Meersch doopt haar in 1794 met de christelijke namen Maria Zara Johanna. Om te laten zien dat hij zo ruimdenkend is, laat de dominee deze prent maken.

Afb. boven: Doop van de geknielde Maria Zara Johanna Niabi in de remonstrantse kerk, 1794. (Stadsarchief Delft 68709).
Dit verhaal is afkomstig uit het publieksboekje 'Het Slavernijverleden van Delft" (pdf).