Salomon van der Heul (1636-1722) bezit aan de Buitenwatersloot een aantal kruitmolens, op de plek die nu bekend staat als de Kogelgieterij. Hij levert het buskruit onder meer aan de Kamer Delft van de VOC. Het wordt gebruikt voor de wapens aan boord van de schepen en voor de oorlogvoering in de overzeese gebieden.
Na het overlijden van Salomon verkoopt zijn dochter het bedrijf in 1723 aan de Amsterdamse gebroeders Nicolaas en Hendrik van Hoorn. Hun firma is een wereldspeler. Zij bezitten plantages in de kolonie Berbice, waar door slaafgemaakten suikerriet wordt verbouwd. In Amsterdam hebben zij een raffinaderij en de hier geproduceerde suiker exporteren zij naar Duitsland.
In 1742 worden de Delftse kruitmolens verwoest door een ontploffing. Het stadsbestuur beslist dat daar nooit meer buskruit mag worden geproduceerd. De firma Van Hoorn blijft toch leverancier van de VOC-Kamer Delft: hun kruitmolen bij Utrecht neemt de productie over.

Dit verhaal is afkomstig uit het publieksboekje 'Het Slavernijverleden van Delft" (pdf).
Dit verhaal is afkomstig uit het publieksboekje 'Het Slavernijverleden van Delft" (pdf).