Delftenaar Gaspar Anthony van Kinschot klaagt over zijn leven in Batavia. In brieven aan zijn broer in Nederland schrijft hij dat zijn carrière niet opschiet en hij vindt ook geen rijke vrouw. In 1772 lopen vier slaafgemaakten weg en overlijden er nog eens drie.
Dat ze doodgaan lijkt hij niet erg te vinden, wel dat hij een schadepost heeft van 1200 rijksdaalders. Zijn benoeming in het stadsbestuur van Batavia vindt hij ook geen pretje. Om zijn status op te houden heeft hij een luxe rijtuig nodig en ‘lijfjongens’, slaafgemaakte dienaren in dure kleren.
Van Kinschot overlijdt in 1775. Erfgename is zijn aangenomen dochtertje, Catharina Anthonia. Haar moeder is waarschijnlijk Jasmina, een slaafgemaakte van Johan de Roth. Van Kinschot heeft een tijdje bij hem ingewoond. In zijn testament vraagt hij degenen die de boedel afhandelen om Jasmina van De Roth te kopen en haar vrij te laten. Bovendien schenkt hij haar het vruchtgebruik van 1000 rijksdaalders.

Afb. boven: Het stadhuis van Batavia omstreeks 1750, met Europeanen en hun dienaren,
vermoedelijk slaafgemaakten. (Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-OB-47.415).
Dit verhaal is afkomstig uit het publieksboekje 'Het Slavernijverleden van Delft" (pdf).