In 1655 wordt een jongetje van een jaar of acht opgenomen in het Weeshuis aan de Oude Delft. Niets bijzonders, behalve misschien zijn naam: Jan van Angola. Hij is vermoedelijk als slaafgemaakte vanuit Angola naar de Nederlandse kolonie Recife in Brazilië vervoerd. Jan is wees en wordt onderhouden door de diaconie van de gereformeerde kerk. Hij verblijft in het huishouden van Geertruijt van den Heuvel. Als zij en haar man, arts-apotheker Jacob Thierens (1610-1664), naar Delft vertrekken, gaat Jan van Angola mee.
Kort daarop overlijdt Geertruijt en belandt Jan in het Weeshuis. Hij leert er net als andere kinderen een vak om later in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Veel jongens uit het Weeshuis treden in dienst van de VOC, zo ook Jan. In 1655 vertrekt hij met het schip Dordrecht richting Batavia. Hij komt er nooit aan. Waarschijnlijk neemt hij op Kaap de Goede Hoop ontslag en vervolgens verdwijnt hij uit het zicht – terug in Afrika.

Afb. boven: Weeskinderen met het wapen van Delft door landmeter Jacob Spoors, 1650. (Stadsarchief Delft, 67435).
Dit verhaal is afkomstig uit het publieksboekje 'Het Slavernijverleden van Delft" (pdf).