Op 6 september 1732 doopt dominee Thierens in Delft ‘een moor en morin’. Het gaat om Hannibal de Coste (van de Kust van Coromandel) en Aurelia van Jaffanapatnam (op Ceylon). Zij zijn inwonende bedienden van Everard Kraeyvanger en Gijsberta Johanna Blesius aan de Oude Delft, vermoedelijk het huidige nummer 121. Kraeyvanger heeft een hoge functie in Batavia bekleed en is in 1728 teruggekeerd naar Delft, met twee zwarte bedienden.
Op 27 juni 1760 maakt zijn weduwe Gijsberta een testament op, waarbij Hannibal en Aurelia het vruchtgebruik krijgen van een kapitaal van 24.000 gulden. Hannibal kan er niet lang van genieten: hij wordt op 13 september van datzelfde jaar met twaalf dragers begraven in de Oude Kerk. Aurelia volgt op 14 april 1775, met veertien dragers. Beiden zijn ongehuwd en verkeren gezien de status waarmee zij worden begraven in behoorlijke welstand.

Afb. boven: Oude Delft 121, het huis van de familie Kraeyvanger. (Michiel1972, Wikimedia Commons).
Dit verhaal is afkomstig uit het publieksboekje 'Het Slavernijverleden van Delft" (pdf).