Slaafgemaakten worden behandeld als handelswaar, waaraan je kunt verdienen. Cupido van Nias is daarvan een voorbeeld. Hij heeft een onzinnaam gekregen en een toenaam. Die toenaam wijst op de plaats waar hij vandaan komt of waar hij verkocht is. Het eiland Nias ligt voor de westkust van Sumatra. In 1762 verkoopt een korporaal van de VOC hem in Padang op Sumatra voor 80 rijksdaalders aan de stuurman van het schip Deunisveld. Die verkoopt Cupido in Batavia voor 100 rijksdaalders. Een maand daarna wordt Cupido voor 125 rijksdaalders doorverkocht aan Jan Tieleman en Hermanus Theodorus Terkamp.
Terkamp komt uit Delft. Daar bezit hij nog een huis in de Choorstraat. In Batavia werkt hij als arts. Hij woont er samen met de slaafgemaakte Tjindra, bij wie hij een dochter heeft. In zijn testament van 1778 bepaalt hij dat Tjindra na zijn overlijden wordt vrijgelaten en wat geld krijgt, zodat zij voor hun dochter kan zorgen.

Afb. boven: Een Hollandse koopman met slaafgemaakten, circa 1700-1725 (Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-4988).