Erfgoed Delft

3 Joodse gezinnen, 7 personen

Hoe Delft het verborgen leed van Joodse families onder ogen krijgt

In juni 1945 komen de eerste berichten naar buiten over de massamoord op Joodse mensen in de vernietigingskampen. Ook Delft hoort de verhalen van overlevenden en leest de cijfers, maar het duurt lang voordat duidelijk wordt hoeveel Joodse stadgenoten zijn omgekomen. De opvang van teruggekeerde Joden is hetzelfde als voor andere Delftenaren, wat voor velen hard voelt. Sommigen proberen hun bezittingen terug te krijgen, anderen zoeken naar verdwenen familieleden. De persoonlijke verhalen laten zien hoe groot het verlies is, en hoe ingewikkeld het is om na de oorlog weer verder te gaan.

Verhaal16 juni 2020stadsarchief

Bb 2020 06 16 2 182065foto Ton De Ruiter

16 juni 1945

‘Buchenwalde was als kamp zoo slecht nog niet…’, zo lezen Delftenaren deze week in Veritas. De krant publiceert artikelen over de concentratiekampen en is nu aanbeland bij de vernietigingskampen Auschwitz, Lublin en Mauthausen. De Delftse overlevenden Leen van Blitterswijk en J. Koet doen een boekje open over de massamoord op de Joden door middel van vergassing en executies. ‘Waren de gaskamers alle bezet, dan werden de slachtoffers in groote betonnen putten met roosters geworpen waaronder benzine aangestoken werd.’ De persoonlijke verhalen zijn een poging om de onvoorstelbare cijfers van de Holocaust te bevatten die in deze weken geleidelijk aan naar buiten komen: 5,6 miljoen vermoorde Joden. Van de 107.000 uit Nederland gedeporteerde Joden overleven ongeveer 5000 de kampen. Eind juni zijn er 3 Delftse gezinnen terug, 7 personen in totaal.

Geen discriminatie

Ondanks de gruwelijke statistieken wordt nauwelijks over Joodse slachtoffers gesproken. Al vanaf medio mei duiken er af en toe Delftse namen van overlevenden op in de krantenkolommen, zoals hoogleraar wiskunde David van Dantzig, die ‘behouden in het openbare leven’ is teruggekeerd. Er staat niet bij vermeld dat hij Joods is. Dat geldt ook voor de bekende Robert Spanjaard, directeur van de Verf- en Chemicaliënfabriek en oud-wethouder. De krant schrijft dat hij ‘naar alle waarschijnlijkheid in een Duitsch kamp bezweken is’. De rouwadvertentie van de familie rept twee weken later over Theresienstadt. De namen van Joodse slachtoffers worden niet weggemoffeld, maar ze worden ook niet als zodanig benoemd. Het is een politieke correctheid die gekunsteld en wreed aandoet. De Nederlandse overheid maakt direct na de oorlog bewust geen onderscheid, want zij wil niet discrimineren naar geloof zoals de Duitse bezetter deed. Deze kille benadering valt de overlevenden zwaar. Leed kan niet zomaar gekwantificeerd worden, maar het maakt ontegenzeggelijk verschil of één familielid bezweken is of dat er nog maar één familielid resteert. 

Bb 2020 06 16 1 108517 

Afb. boven: Fragment van een van de twee namenlijsten met Joodse slachtoffers in de Delftse synagoge. Foto: Kees Spiero, objectnr.: 108517.

Bezittingen weg

De opvang van Joodse teruggekeerden is dus hetzelfde als voor overige Delftenaren. Zij moeten ook aangifte doen van hun kwijtgeraakte persoonsbewijs bij de politie. Dus bij dezelfde instelling die tijdens de oorlog meewerkte aan het opsporen van Delftse Joden. Daarna is het zaak om achtergelaten bezittingen terug te krijgen. Gezinnen hebben soms spullen ondergebracht bij buurtgenoten, die nu verrast lijken dat ze deze moeten teruggeven. M. Swaan uit de Voorstraat verzoekt om die reden politieassistentie. Hij is van zijn onderduikadres teruggekeerd en heeft via-via gehoord ‘dat de bijl klaarstaat als hij om zijn eigendommen komt’. Zover bekend loopt dit met een sisser af. Minder fortuinlijk is S. Cohen uit de Thorbeckestraat die naar de Pootstraat gaat voor de bezittingen van zijn zus. Daar hoort hij dat de goederen verkocht zijn. Degene die ze in bewaring heeft genomen is er ook niet meer, die zit als collaborateur gevangen in het Armamentarium. 

Bb 2020 06 16 2 182065foto Ton De Ruiter 

Afb. boven: In 2019 is aan de Rotterdamseweg een eerste herinneringssteen gelegd voor één van de Delftse Joodse slachtoffers. Foto: Ton de Ruiter, objectnr.: 182065.

Vermoord

Tot zover de teruggekeerden. Medio juni verkeren veel Joodse families nog in onzekerheid. De eigenaar van kledingmagazijn De Adelaar aan de Choorstraat, Isaac van IJssel, is nog op zoek naar kleinzoon Pum. Het jongetje is in 1943 met zijn ouders ondergedoken, voor de zekerheid op verschillende adressen. Er is sindsdien geen contact meer geweest, maar er zijn hoopvolle geruchten. Op 13 juni 1945 schrijft Van IJssel naar een gezin in Stein (Limburg): ‘van een mijner kennissen kwam mij ter oore dat bij u een jongentje is gehuisvest, en wel Isaäc Bernard van IJssel, welke genoemd word Pum.’ Dat klopt. Een paar weken later doet het 7 jaar oude jongetje de deur open voor een hem onbekende man: zijn opa. Een grootvader die Pum moet vertellen dat hij veilig zat in Stein, maar dat het onderduikadres van zijn ouders is verraden. Zij zijn in Auschwitz vermoord. Het specifieke leed van Joodse slachtoffers blijft lange tijd onzichtbaar of wordt zelfs verzwegen.

Ieder is al snel weer druk met zijn eigen sores, zoals het vandalisme van de losgeslagen jeugd. Daarover meer in het Bevrijdingsbulletin van 23 juni 1945: Straatjongeren. 

Bronnen

Dit verhaal is gebaseerd op informatie uit:

  • Joep Wijnberg-Stroz en Marianka van Lunteren-Spanjaard, Blijvers en voorbijgangers. Joden in Delft, 1850-1960 (Kampen 1998).
  • Veritas, mededelingenblad voor Delft en omstreken, 14-5-1945, 23-5-1945, 6-6-1945, 13-6-1945, 27-6-1945 en 3-7-1945 (www.delpher.nl).
  • Archief 575. Gemeentepolitierno 640. Dag- en nachtrapporten, 22-5-1945 en 27-5-1945.

Bevrijdings Bulletins Logo